Drie kluizenaressen omsingelden een jager, namen zijn wapen af en bonden zijn handen vast. Ze zeiden: „We hebben drie jaar op je gewacht”

Drie kluizenaressen omsingelden een jager, namen zijn wapen af en bonden zijn handen vast. Ze zeiden: „We hebben drie jaar op je gewacht”, maar hij begreep nog niet waarom deze vrouwen hem nodig hadden en in welke nachtmerrie deze dag voor hem zou veranderen 🤯

De jager was al ’s ochtends het bos ingegaan. Hij wilde iets voor het avondeten schieten en vóór het donker werd weer thuis zijn, maar het bos leek die dag besloten te hebben hem een wrede streek te leveren.

Eerst zag hij verse sporen van een dier op de grond. Daarna zag hij een beweging tussen de bomen en verliet hij het vertrouwde pad. Hij dacht dat de prooi vlakbij was en dat hij alleen nog maar een klein stukje verder hoefde te gaan. Maar er ging een halfuur voorbij, daarna een uur.

De jager bleef staan en keek om zich heen. Om hem heen stonden onbekende hoge bomen, dicht struikgewas en nat gras. Geen weg, geen bekende steen, geen sporen van mensen.

Hij probeerde terug te keren, maar al snel besefte hij dat hij in cirkels liep.

— Geweldig, zei hij zacht tegen zichzelf. — Gewoon geweldig.

De zon zakte langzaam achter het bos. Tussen de boomstammen werd het steeds donkerder en de lucht werd merkbaar kouder. De jager liep bijna twee uur door, totdat hij in de verte eindelijk een dunne rookpluim zag. Hij versnelde zijn pas.

Diep in de wildernis, tussen oude sparren, stond een eenzame houten hut. Het dak hing scheef, de ramen waren klein en naast de muur lagen stapels brandhout. Het huis zag eruit alsof het daar vele jaren geleden was vergeten.

De jager liep naar de deur en wilde net aankloppen, toen die plotseling vanzelf openging.

Op de drempel stond een jonge vrouw met een kleurrijke hoofddoek. In haar handen hield ze een zware emmer water. Ze keek hem aan alsof ze geen vreemde zag die daar per toeval terecht was gekomen, maar iemand op wie ze al lange tijd wachtte.

— O… je bent eindelijk gekomen, zei ze zacht. — We hebben drie jaar op je gewacht.

De jager fronste.

— Wat bedoel je? Wie zijn jullie?

De vrouw antwoordde niet. Ze zette alleen de emmer op de grond en glimlachte vreemd.

Op dat moment hoorde de jager achter zich een tak kraken. Hij draaide zich snel om, maar het was al te laat.

Iets zwaars trof hem op zijn hoofd en het bos verdween voor zijn ogen.

Toen de jager weer bij bewustzijn kwam, was het al donker in de kamer. Ergens knetterde hout in de kachel. Zijn handen en benen waren stevig met touw vastgebonden en zijn geweer lag ver weg, bij de muur. Voor hem stonden drie vrouwen.

De jonge vrouw met de hoofddoek stond in het midden. Links van haar stond een roodharige vrouw met een lange vlecht en rechts stond een blonde vrouw met loshangend haar en een koude glimlach.

De jager trok aan zijn handen.

— Wie zijn jullie? Wat willen jullie van mij?

De vrouwen wisselden een blik.

— Je bent eindelijk gekomen, herhaalde de jonge vrouw met de hoofddoek. 😱🫣

Wat er diezelfde nacht met de jager gebeurde, was werkelijk afschuwelijk 😰 Het vervolg van het verhaal vind je in de eerste reactie 👇👇

— Ik begrijp er niets van! Laat me gaan!

De blonde vrouw kwam langzaam dichterbij en hurkte voor hem neer.

— Je bent niet per toeval verdwaald.

De jager verstijfde.

— Wat betekent dat?

— Je bent hier terechtgekomen omdat het bos je naar ons heeft geleid, antwoordde ze.

De vrouwen gaven toe dat ze al vele jaren diep in de wildernis woonden en ervan droomden daar hun eigen afgesloten stam te stichten, waar niemand uit de buitenwereld zich mee zou kunnen bemoeien.

Ze hadden op de jager gewacht omdat zijn vaardigheden, zijn kennis van het bos en zijn wapen hun gemeenschap sterker konden maken. Maar toen hij begreep welke rol ze hem in hun plannen hadden toebedeeld, was het al te laat: de nacht was over het bos gevallen en de vrouwen hadden de weg terug al lang verborgen.